Petite Histoire (19e E)

   
   

Home
Up
	Petite Histoire (19e E)
7 januari 1857
Awakenings
Schots Seminarie
Edouard Prisse
Th. A. Eggenstein
1900 - trieste notulen
1900 - welkomstwoord
W.A. van Griethuysen
A.G. Barkey Wolf
Overbeeke memoires

Petite histoire van de Zendingskerk te Antwerpen

 

Uittreksels uit de eerste notulenboeken van de Zendingkskerk te Antwerpen (19e eeuw) – verschenen in het Kerkblad ‘De BAND’ in 2004 door Dick Wursten.
1866-1875

 

 

Petite histoire van de Zendingskerk (1)

 

Inleiding

Op 16 juli 1866 wordt de ‘zendingspost’ te Antwerpen (die reeds een tiental jaar bestond) omgevormd tot een ‘zendingsstation’ en wordt een ‘besturende commissie’ aangesteld. Deze commissie blijft actief gedurende de rest van de 19de eeuw en functioneert de facto als kerkeraad. Een trage maar gestage groei (met name in de diepte) leidt er toe dat dit ‘station’ in 1901 kan worden omgevormd tot een zelfstandige ‘gemeente’. Met de omvorming van zendingspost tot zendingsstation is de pionierperiode voorbij en begint het vergadertijdperk. Dan zijn er dus ook voor het eerst notulenboeken.

 

Uit die notulenboeken wil ik de komende Banden citeren. Niet de grote besluiten (die er trouwens niet zoveel zijn. Het gaat bijna altijd over ‘lopende zaken’). Ik wil mij richten op de petite histoire, de kleine dingen die meer dan de grote besluiten het leven van de gemeente tekenen. Als tweede schiftingscriterium heb ik het woord ‘orgel’ genomen. In de eerste kerkcommissie zetelen naast de predikant (ds. Th.A. Eggenstein), nog R. Geerling (secr.) en C. De Wolf en L. De Maagd.  

 

 

Deze keer geef ik enkele citaten zonder toelichting. Volgende keer zal ik proberen het iets meer te omkaderen. Het maakt duidelijk wat voor gewichtige zaken er wel niet besproken zijn gedurende de eerste vergaderingen. Enkele toelichtende opmerkingen vooraf:

De kapel aan de Kommekensstraat werd ook gebruikt door de Noorse zeemanskerk.

De afkorting Br. betekent ‘broeder’ en het meervoud daarvan is  soms Br. Br.  

De notulist schrijft de maanden october-december resp. als 8ber’, 9ber  en Xber. ’t  Is maar dat u het weet.

 

 “Wordt besproken wat met het batig saldo van de gemeente – in een orgel kas doen en br. Rosseels hierover raadplegen.”

 (6 mei 1867)

 

 “Op voorstel van de voorzitter wordt besloten een nieuwe mat en looper aan te koopen. De Noordsche gemeente zal voor de helft in deze onkosten komen.”

“Wordt besloten op voorstel van den voorzitter, de Br. Br. Rosseels uit te noodigen om werkzaam te zijn in de Zondagsschool.”

(11 juni 1867)

 

 “De Br.Br. Schot & Emm. Rosseels, welke aangeduid zijn om deel der kerkcommissie te maken, zijn tegenwoordig en worden door den voorzitter ingehuldigd. Br. Emm. Rosseels wordt tot secretaris verkozen.De voorzitter deelt mede dat Br. Jaak Rosseels werkzaam zal wezen in de Zondagsschool.”

“ Met het aankoopen der mat en looper in de kerk zal gewacht worden tot de terugkomst van den predikant der Noordsche gemeente” (14 juli 1867)

 

 “De reeds voorgestelde aankoop van een looper en een karpet voor de Kerk zal eindelijk gedaan worden voor gezamentlijke rekening met de Noordsche gemeente.”

“De gemeente zonder orgelist zijnde ten gevolge van het vertrek naar Brugge van Br. Van Helder, wordt er besloten naar iemand uit te zien die bekwaam zij de gezangen der kerk met het orgel te begeleiden. Het traktement van den orgelist zal hoogstens frs 150 bedragen. De kas der giften voor den aankoop van een eigen orgel zal jaarlijks frs 100 bijdragen tot betaling der jaarwedde van den orgelist.”

(9 september 1867)

 

 “Br.Br.  Schot & De Maagd brengen eene klacht in tegen den orgelist die zonder machtiging achtergebleven is. Br. Rosseels neemt het op zich den orgelist hierover te spreken.”

(16 Xber 1867)

 

 

Petite histoire van de Zendingskerk (2)

 

Meestal sta je er niet bij stil, maar sommige gebruiken in de kerk zijn al heel oud. Zó oud dat je ze gewoon ‘traditie’ moet noemen. Dat geldt vooral rond bepaalde feestdagen. Wel verandert vaak de betekenis. Zo waren de kerstpakketjes vroeger broodnodige ondersteuning voor de ouden van dagen, tegenwoordig is het vooral een blijk van attentie. Ik ontdekte dat een ander gebruik rond Kerst ook al heel oud is. Het betreft het Kerstfeest van de zondagsschool. Hierbij moet u zich wel wel realiseren dat de ‘zondagsschool’ qua opzet en inspiratie vooral bedoeld was voor de buitenkerkelijke jeugd. De Nederlandsche Zondagschool Vereeniging  (NZV) was een evangelisatieproject. De zondagsschool van toen was dus meer vergelijkbaar met wat men vandaag ‘kinderbijbelclub’ noemt dan met de ‘kinderkerk’.

 

In november komt het komende Kerstfeest op de Kerkcommissie ter sprake. Besloten wordt dat het ‘kinderkerstfeest’ plaats zal vinden op de 2de kerstdag in de kerk (aan de Kommekensstraat dus). Dan lezen we (notulen 19 november 1867)

“De Kerkcommissie besluit dat dit feest den 2den kerstdag in de kerk zal plaatsheben. De kinderen zullen ieder een boek ontvangen. Bovendien zullen er prachtboeken geschonken worden aan de kinderen welke door naarstigheid, ijver en goed gedrag uitmuntten. Zij die slecht één boek ontvangen zullen een paar loten bekomen voor het Tombola der Zustersvereeniging.”

 

Voilà: daar is ‘het boek’ met het kinderkerstfeest, als beloning, dat is wel duidelijk, helemaal passend binnen de toenmalige pedagogische opvattingen. Die ‘zustersvereeniging’ (vrouwenvereniging) die hier zo terloops genoemd wordt was een initiatief van dhr. Emmanuel Rosseels uit datzelfde jaar. Ook in de Vlaamsche Evangeliebode maakt hij er op zeer aandoenlijke wijze reclame voor. (Zie daarvoor (en  voor meer informatie over de lotgevallen van deze vereniging) A. de Raaf, Bewaar het Pand, p. 155-157)

 

Het was trouwens een goed gevulde agenda die keer, want naast de organisatie van het kinderkerstfeest wordt ook het voorstel op tafel gelegd om een zangafdeling in de gemeente op te richten (dit blijft voorlopig een vrome wens) en worden enkele gebruiken tijdens de eredienst onder de loupe genomen. Intrigerend is hetvolgende

“[besloten wordt] vervolgens:

1. Dat gedurende het gebed bij de Godsdienstoefeningen de vrouwen zullen aanzocht worden recht te staan.

2. Dat den koster de mannen zal verzoeken het hoofd te ontdekken in de kerk.”

 

Ik herinner mij uit mijn jeugd dat de mannen tijdens het gebed gingen staan en de vrouwen bleven zitten. Vergis ik mij of probeert de kerkcommissie hier ernst te maken met het bijbelse gegeven dat ‘voor Gods aangezicht’ de positie van man en vrouw gelijk is ?

Ik vermoed het, want op de volgende vergadering (6 december 1867) komt de positie van de vrouw in de gemeente ter sprake. Het voorstel dat hier gedaan wordt maakt a. duidelijk dat er de afgelopen anderhalve eeuw veel is veranderd en b. dat de kerkcommissie op dit punt verdeeld is. Het voorstel dat ingediend wordt was voor die tijd progressief: Het wil de vrouwen toelaten

“het woord te nemen in de gemeente­vergaderingen. Dit voorstel wordt “na een lange bespreking verworpen met drie stemmen tegen twee.”

 

Nog een laatste (dit maal weer een liturgisch) besluit. De kerkcommissie besluit op 27 april 1868 de gemeente te laten ‘antwoorden’ op de zegen aan het einde van de dienst.

“Tenslotte wordt besloten dat bij het einde van elke godsdienstoefening door al de aanwezigen het laatste gedeelte van gezang 96 staande zal gezongen worden.” 

De  ouderen onder u zal het niet verbazen als ik u meedeel dat de laatste 4 regels van gezang 96 uit de bundel met evangelische gezangen, gelijk zijn aan gezang 94 uit de bundel-1938 en gezang 257 uit het Liedboek:

            Vader, sla ons steeds in liefde gade;

            Zoon des Vaders, schenk ons uw genade;

            uw gemeenschap, Geest van God,

            amen, zij ons eeuwig lot !

Meer dan een eeuw lang heeft deze ‘biddende herhaling van de zegen’ het gehouden in de kerk om dan – na een tussentijd van géén gezang ? – vervangen te worden door soortgelijk lied: strofe 3 van gezang 456. Over de zeer bijzondere wijze waarop de gemeente dit vers placht te zingen aan het eind van de 19de eeuw… volgende keer meer.

 

 

Petite histoire van de Zendingskerk (3)

 

[vooraf:] Blijkbaar werd de kapel aan de Kommekensstraat ook gebruikt door de Scandinavische (sc. Noorse) Zeemanskerk voordat zij hun eigen kerkgebouw in gebruik namen aan de Tunnelplaats (toen nog Handelsstraat geheten). Het orgel in de Kommekensstraat was eigendom van de Noorse kerk. Was dit oorspronkelijk de reden om te gaan sparen voor een eigen orgel. Juist het nakende vertrek van de Noren verandert alles. (NB: het gaat hier nog nìet om pijporgel)

 

notulen 27 juni 1870
Eerst deelt
de voorzitter mede, dat de gelegenheid zich opdoet voor den aankoop van een orgel ten gebruike in de kerk;  voorzien van 10 registers en zeer welluidenden klank, is het zoo wegens doelmatigheid als laag gestelden prijs, aanbevelenswaardig.”

Maar de secretaris merkt op, dat dat misschien helemaal niet meer nodig zal zijn, omdat zij “door de welwillende beschikking van genoemde gemeente (= Noorse kerk), hoogstwaarschijnlijk in het blijvend bezit van haar orgel zullen gesteld worden…”

De discussie die dan volgt verloopt volgens voorspelbare paden. Sommigen vinden dat men het ingezamelde geld dan beter ergens anders aan kan besteden, anderen vinden dat er na 4, 5 jaar collecteren nu maar van moet komen. Als de stemmen staken, mag de voorzitter beslissen, maar die wil niet van zijn macht gebruik maken. Men besluit om een gemeentevergadering samen te roepen.

 

Op 22 augustus 1870 lezen we dan:

“De voorzitter bericht dat, na de Gemeente te hebben gehoord, de aankoop van een orgel is geschied voor de som van frs. 450 en dat de verkoop van het oud frs. 75 heeft opgebracht, welks opbrengst in de orgelkas is gestort.”

Uit diezelfde vergadering nog twee interessante détails: “Het voorstel van een der gemeenteleden om de psalmen en gezangen op halve nooten te zingen, wordt aangehouden.” Het gaat hier m.i. om een versnelling van het tempo, niet om ritmisch zingen, maar ik laat mij graag beleren. Ook het volgende besluit werkt nog door tot op de huidige dag: “De vergadering verleent hare goedkeuring aan het voorstel van den voorzitter om aan den wand boven de preekstoel de woorden “Wij prediken Christus, den gekruisigde” (1 Cor 1:23a) in groote geschaduwde blokletter te doen schilderen.”

In de Bexstraat staat nu een andere tekst boven de preekstoel, maar u moet maar eens kijken wat er buiten boven de deur gebeiteld staat… !

 

In 1872 waren er maar liefst 3 organisten, waarvan een zeker C. Franck (jaja!) de eerste was. Mej. Rosseels en mw. Eggenstein waren de vervangers. Om u nog een beetje sfeer te laten proeven een uitgebreid citaat uit de notulen van 15 december 1872:

“Toegekomen een briefje van den heer C. Franck, waarin hij de kerkcommissie bericht dat tussschengekomene zaken hem beletten het orgel voortaan te bespelen [...] Reeds menigmaal, bij afwezigheid van den heer Franck, en ook vroeger, toen deze zich nog niet aangeboden had, werd het bespelen der orgel door mevr. Eggenstein waargenomen. De heer Eggenstein verklaart thans dat zulks voortaan door zijn vrouw zoo goed als geregeld, en meer geregeld dan vroeger zal kunnen geschieden. Hij gelooft te mogen denken dat mw. Eggenstein zich naar aller genoegen van hare kunsttaak kwijt. Hij geeft door dit woord aan de leden der Commissie gelegenheid om met de verzekering dienaangaande, tevens hunnen oprechten dank uit te drukken voor den aangeboden en reeds veeltijds door mev. Eggenstein volbrachten dienst.”

 

Zonder commentaar nog twee citaten van later datum, die iets laten doorschemeren van de zo geroemde zangkunst van de protestanten:

14 april 1873

“Br. Voorzitter vraagt, gelijk reeds in eene der vorige vergaderingen, of er niet iets te doen is tot verbetering van den zang bij de godsdienstoefeningen. Op deze vraag wordt met een diepen zucht geantwoord. Daar zuchten echter aan de ernstig gevoelde behoefte van verbetering weinig baten kan, stelt hij voor om er een zaak van gebed tot God van te maken.”

 

12 februari 1878

“Voorzitter zegt dat Zijn vrouw, die bij de godsdiensoefening den zang begeleidt, klaagt dat de slotzang: Vader, sla ons steeds enz. zoo sleperig en slaperig gezongen wordt, dat het haar haast zoo goed als onmogelijk is zulk zingen met het orgel te accompagnéeren. Zal die zang afgeschaft worden ? Na vóor en tegen, wordt besloten: ja.”

 

Volgende keer iets over de invoering van de Sankey-liederen (voorloper van ‘Johannes de Heer’)

 

 

Petite histoire van de Zendingskerk (4)

 

 

Natuurlijk is het orgel en de kwaliteit van de gemeentezang niet de voornaamste zorg van de kerkeraad (alhoewel, hoe was ’t ook al weer: God troont op de lofzangen van zijn volk) Veel voornamer is het opzicht en de tucht over het leven der gemeenteleden. Vooral als die gemeenteleden ook nog leidinggevende functies bekleden.... Beide onderwerpen komen na elkaar aan de orde op 11 februari 1875:

Ter sprake gekomen het bijwonen van wereldsche samenkomsten op zondagen, door leden, die onderwijs geven op de Zondagsschool .Wordt door al de leden der commissie gelaakt, met, eindelijk, het besluit er later nog op terug te komen.

Reeds meermalen is in de commissie het onvoldoende onzer orgels besproken. De Comissie besluit thant het busje van vroeger opnieuw tot het inzamelen van gelden voor een behoorlijk pijporgel te bestemmen. Genomen besluit zal aanstaanden zondag der gemeente bekend gemaakt worden.

Ja, u leest het goed. Alweer een nieuw orgel, maar deze keer gaat het over een ècht orgel, namelijk een pijporgel. De orgels waarvan sprake is geweest, hoorden allemaal tot de familie van het ‘harmonium’.

Het aantrekken van de teugels der tucht leidt enkele maanden later tot het vertrek van een deel van de fam. Rosseels (Emmanuël en zijn dochter Philippina) naar de ‘Staatskerk.’. Zij vroegen een ‘attestatie’ maar kregen die niet (26 april 1875).

Zijn toegekomen de demissiën van Juff. Philippina Rosseels & van haren vader Em. Rosseels, met verzoek van attestatie. De commissie besluit geene attestatie, maar een eenvoudig certificaat te geven.

Men besluit vervolgens meteen de ledenlijst maar eens ‘te kuisen’ met als gevolg dat ook de organist, dhr. Franck, wordt geschrapt, wegens ‘lange tijd niet meer gezien’. Ja, zo ging dat toen !

 

Er gebeuren dat jaar gelukkig ook positieve dingen, zoals blijken mag uit het verslag dat ds. Eggenstein op 20 oktober 1875 doet van zijn bezoek aan enkele Nederlandstalige samenkomsten, die op 12-14 oktober in Brussel hadden plaatsgehad: Vooral de samenzang heeft grote indruk op hem gemaakt. Het betreft hier de uit Engeland geïmporteerde en (later vooral door Joh. de Heer vertaalde) liederen van de evangelist Ira Sankey. In het verslag van de notulist klinkt het enthousiasme van ds. Eggenstein nog door:

“gezongen: Sankey liederen vooral en bijna uitsluitend. Ook deze liederen hebben machtig bijgedragen om aan deze samenkomsten een bijzonder karakter te geven & hoe broederlijk, hoe vrede- en liefderijk, hoe gezegend het er ook geweest zij, dit driedaagsche samenwonen zou, volgens ds E, zonder deze Sankey-liederen niet geweest zijn wat het geweest is. Wenschelijk is het dan dat, gelijk reeds de Brusselsche gemeenten van Ds. Mooy en Ds De Jonge, zoo ook onze Antwerpsche gemeente met deze gezangen bekend worde & zij in onze huizen, in onze bijeenkomsten, op de zondagsschool te  huis hoorden. Ds. E. neemt dan ook voor op onze aanstaande gemeentevergadering de leden daartoe aan te moedigen.”

 

Tenslotte wordt een nieuw lid verwelkomd. We lezen op 29 november 1875:

Met attestatie uit onze Gentsche gemeente tot ons gekomen en door ons aangenomen Philippe Prisse.

Waarvan acte.

 

 

Petite histoire van de Zendingskerk (5) - slot

Vanwege het zeldzame feit dat de notulen van 9 maart 1875 niet alleen zeer uitgebreid zijn, maar ook een heel mooie impressie geven van het gemeenteleven en de spiritualiteit die toen kenmerkend was voor de zendingskerk, deze keer een groot excerpt, onder dank aan het literair talent van de toenmalige secretaris, dhr. Mathijsen (= de latere lieddichter, en medewerker van N. De Jonge (Silo-Zending). Van Mathijssens hand is het lied ‘k heb geloofd en daarom zing ik, dat meestal aan De Jonge wordt toegeschreven. Logisch, want het lied hoort bij zijn ‘Silo-zending’, waar Mathijsen actief aan meewerkte in zijn Brusselse tijd.

 

 

9 maart 1875

 

De dood heeft in de laatste tijden onze kleine gemeente herhaaldelijk bezocht. Zien wij op de ledige plaatsen in ons midden, dan gevoelen we dat de verliezen groot zijn voor ons wier getal en krachten klein zijn. Bedenken wij evenwel hoe het sterven onzer gestorvenen een sterven in den Heer was, dan blikken wij hen blijmoedig na & de aanbiddelijke getrouwheid waarin de Heer zich bij hunne ziek- en sterfbedden heeft bewezen, wekt in ons het vertrouwen dat Hij, die onze kleine kracht kent, machtig en gewillig is om de ledige plaatsen weder aan te vullen.

Andere slagen hebben ons getroffen, die smartelijker zijn dan die des doods & dienen moeten om ons voor God te verootmoedigen.

In geval van F.D.J. en J.J.B. het verlangen te kennen geven dat hun aanstaande huwelijk ingezegend worde, zal dan aan dit verlangen kunnen voldaan worden ? – Deze vraag van br. Voorzitter geeft aanleiding tot ernstig bespreken. Lang staat onze commissie besluiteloos. Hoe bij dergelijk treurige voorvallen elders gehandeld wordt, kan niet in aanmerking komen. Wij hebben de zaak te beschouwen voor ons geweten & te behandelen naar het eigen en bijzonder stand- en uitgangspunt onzer Belgische Christelijke Zendingskerk. Eindelijk vraagt voorzitter of het niet goed ware bij de naderende avondmaalsviering aan beide hier bedoelde personen, namens de commissie, te schrijven, om hun vooreerst te verzoeken dat zij zich van het avondmaal onthouden en hun daardoor reeds iets te verstaan te geven over het bezwaar dat van onze zijde bestaat, om, ingeval zij hun huwelijk kerkelijk ingezegend wenschten, aan dit verlangen te voldoen, wijl het zedelijk onmogelijk is eene verbintenis in te zegenen, die reeds feitelijk is aangegaan. Gold het echter eenvoudig een gebed, in oprechte behoefte om in hetgeen zonder God begonnen is, voortaan met God voort te leven, zulke vraag zou hun kunnen toegestaan worden. De Commissie juicht den voorgestelden maatregel, waardoor met wijsheid en voorzichtigheid de kerkelijke tucht wordt gehandhaafd, van ganscher harte toe.

 

Dan is er een heikele kwestie over het “bijwonen der wereldsche vermakelijkheden, vooral als ontheiliging van den Zondag & daarbij, in de tweede plaats, door personen die deel nemen aan het onderwijs geven in de zondagsschool”

Met betroffen persoon is vertrouwelijk gepraat en in het verslag lezen we nu een principieel besluit:

1. Als bijkomend bepaalde regel, hetgeen volgt:

“Er bestaat tegenstrijdigheid tusschen het wijzen der kinderen op den Heer Jezus des middags in de zondagsschool en het ontheiligen, vooral geregeld ontheiligen, van den Zondag eenige uren later, door ’t  bijwonen van wereldsche vermaken.:

2. Als bepaald besluit:

“Indien iemand, daarover vermaand, aan deze vermaning als uitgaande van de gemeente, geen gehoor geeft, dan zal hem of haar, uit kracht van het tegenwoordig besluit, verzocht worden van het onderwijs geven op de zondagsschool af te zijn.”

 

[Verder wordt geld uit de armenkas ter beschikking gesteld voor de reis van een zieke naar een doctor en wordt gemeld dat Broeder F. Plugge, net in kerkcommissie gekozen,vertrekt naar Brussel]:  “Onder hartelijk bede, dat ’s Heeren zegen hem en zijne kinderen, in wier midden hij weldra zal gevestigd zijn, nabij zij en blijve, wordt onzen geliefden broeder Plugge, dien we gehoopt hadden niet zoo kortstondig in ons midden te bezitten, door den voorzitter der commissie & beide andere aanwezige broederen DeWolf en Matthijsen, broederlijke & waarlijk niet zonder diepe gemoedsaandoening de hand ten afscheid gedrukt.

 

 

 

   
  Up Next